Er is al veel geschreven over de tendens dat steeds minder leerlingen in Nederland voor Frans en Duits kiezen. Dit wordt vaak toegeschreven aan externe factoren, zoals Kies Exact, de nadruk op kernvakken, het belang van Engels en de vermindering van de beschikbare lestijd. Al deze factoren zullen ongetwijfeld een rol spelen bij de terugloop van het aantal leerlingen dat voor deze talen kiest. Toch is het te gemakkelijk om de oorzaak uitsluitend buiten onszelf te zoeken.
In mijn promotieonderzoek heb ik laten zien dat een andere aanpak kan leiden tot een hoger taalniveau én tot meer leerlingen die in de bovenbouw voor Frans kiezen. Tegelijkertijd heb ik me altijd afgevraagd waarom Spaans, ook op de scholen waar ik heb lesgegeven, ogenschijnlijk minder last had van dezelfde externe factoren. Niet omdat het eindniveau daar hoger lag, maar omdat er steevast aanzienlijk meer leerlingen voor Spaans kozen.
Ik denk dat ik nu een mogelijk antwoord heb op de vraag waarom Frans en Duits terrein verliezen, terwijl Spaans juist aan populariteit wint. Dat antwoord vond ik in een artikel van Gianfranco Conti, met de prikkelende titel Is the reform that was supposed to save languages killing French and German? Hieronder vat ik de belangrijkste ideeën samen. Het volledige, Engelstalige artikel is hier te lezen.
De onderwijshervorming als mogelijke oorzaak
Conti onderzoekt waarom Frans en Duits in Engeland steeds minder populair worden als schoolvakken, terwijl Spaans juist aan populariteit wint. Hij stelt de vraag of de onderwijshervormingen die het talenonderwijs moesten verbeteren, onbedoeld hebben bijgedragen aan de achteruitgang van Frans en Duits.
De centrale kritiek van Conti richt zich op de kennisgerichte benadering van het talenonderwijs. Daarbij ligt veel nadruk op drie onderdelen: woordenschat, grammatica en de relatie tussen klanken en letters.
Conti is nadrukkelijk niet tegen het aanleren van grammatica, uitspraakregels of woordenschat. Die zijn essentieel voor het leren van een taal. Zijn bezwaar is dat deze onderdelen te vroeg en te nadrukkelijk op de voorgrond kunnen komen te staan. Leerlingen zijn dan vooral bezig met het analyseren en bestuderen van de taal, terwijl ze onvoldoende ervaren dat ze die taal daadwerkelijk kunnen begrijpen en gebruiken.
Volgens Conti kan deze aanpak bovendien verschillend uitpakken voor verschillende talen.
Waarom juist Frans en Duits?
Bij Frans worden leerlingen geconfronteerd met een ingewikkelde relatie tussen spelling en uitspraak. Veel letters worden niet uitgesproken, woorden lopen in gesproken taal in elkaar over en wat leerlingen op papier herkennen, klinkt in een natuurlijke zin soms heel anders. Wanneer het onderwijs sterk de nadruk legt op het expliciet leren van klankregels en correcte uitspraak, kunnen deze moeilijkheden extra opvallen.
Bij Duits ligt het probleem ergens anders. De uitspraak is voor beginners relatief voorspelbaar, maar de grammatica en zinsbouw kunnen behoorlijk ingewikkeld zijn. Denk aan grammaticale geslachten, naamvallen, verbuigingen en de plaats van het werkwoord in de zin. Wanneer leerlingen taal vooral ervaren als het leren en toepassen van steeds meer regels, kan ook Duits al snel als moeilijk en weinig aantrekkelijk worden ervaren.
Spaans heeft volgens Conti op dit punt een voordeel. De relatie tussen spelling en uitspraak is veel regelmatiger en ook bepaalde grammaticale patronen zijn voor beginners relatief snel te herkennen. Daardoor kunnen leerlingen eerder ervaren dat ze vooruitgaan en dat ze daadwerkelijk iets met de taal kunnen.
Een kennisgerichte onderwijshervorming kan dus onbedoeld juist de eigenschappen benadrukken die Frans en Duits voor leerlingen moeilijk maken, terwijl Spaans binnen dezelfde aanpak toegankelijker lijkt.
Motivatie en het gevoel dat je een taal kunt leren
Volgens Conti ligt een belangrijk probleem in het feit dat we te veel nadruk leggen op wat leerlingen over een taal moeten weten en te weinig op wat ze met die taal kunnen doen. Een leerling die tien grammaticaregels kent, voelt zich daardoor nog niet automatisch een spreker van het Frans. Hetzelfde geldt voor een leerling die de Franse uitspraakregels begrijpt, maar moeite heeft om een gesproken zin te verstaan. Het gevoel van succes ontstaat juist wanneer leerlingen merken dat ze een verhaal kunnen volgen, een tekst begrijpen die ze enkele maanden eerder nog niet konden lezen of daadwerkelijk een gesprek kunnen voeren.
Dat gevoel van 'ik kan dit' is volgens Conti essentieel om leerlingen gemotiveerd te houden. Hij pleit daarom voor veel begrijpelijk taalaanbod, herhaling, betekenisvolle teksten en interactie. Grammatica en uitspraak blijven belangrijk, maar moeten leerlingen vooral helpen om de taal beter te begrijpen en te gebruiken.
Er spelen meer factoren mee
Conti schrijft de achteruitgang van Frans en Duits niet uitsluitend toe aan de onderwijshervormingen. Ook de kwaliteit van het basisonderwijs, het gebrek aan aansluiting tussen basis- en voortgezet onderwijs, docententekorten en de keuzes van schoolleidingen spelen een rol: Problemen met de beschikbaarheid van docenten en het aanbod van examenklassen kunnen ertoe leiden dat deze talen steeds minder zichtbaar worden op scholen. Daardoor dreigt een vicieuze cirkel: minder leerlingen kiezen de taal, waarna scholen het aanbod beperken en de taal nog minder aantrekkelijk wordt.
Conti benadrukt dat niet bewezen is dat de onderwijshervormingen de achteruitgang van Frans en Duits hebben veroorzaakt. Wel vindt hij dat de ontwikkelingen aanleiding geven om kritisch naar de huidige aanpak te kijken.
Wat kunnen we hiervan leren?
Een interessant voorbeeld dat de ideeën van Conti ondersteunt, is AIM. Wanneer deze methodiek goed wordt uitgevoerd, ervaren leerlingen vanaf het begin dat ze de doeltaal daadwerkelijk kunnen gebruiken. Ze begrijpen steeds meer, communiceren al vroeg in het Frans en ontwikkelen het vertrouwen dat ze de taal kunnen leren. In mijn ervaring leidt dit tot meer plezier en motivatie tijdens de lessen. Bovendien kiezen op de scholen waar ik deze aanpak heb zien werken, relatief veel leerlingen in klas 3 voor Frans.
Bij AIM ligt de nadruk vanaf het begin op het gebruik van de taal, vooral mondeling. Leerlingen leren niet eerst een groot aantal werkwoord vervoegingen en grammaticaregels uit het hoofd voordat ze de taal mogen gebruiken. Ze bouwen hun taalvaardigheid juist op door veel begrijpelijke taal te horen, te verwerken en zelf te gebruiken. Grammaticale patronen worden daarbij niet genegeerd, maar leerlingen hoeven niet voortdurend expliciet met de onderliggende regels bezig te zijn. Dat sluit aan bij de kern van Conti's betoog: leerlingen moeten vooral ervaren dat ze vooruitgaan en dat ze met de taal iets kunnen bereiken.
Natuurlijk bewijst het voorbeeld van AIM niet dat de kennisgerichte hervormingen verantwoordelijk zijn voor de achteruitgang van Frans en Duits. Daarvoor spelen te veel factoren een rol. Het laat echter wel zien dat de manier waarop we taalonderwijs vormgeven van belang kan zijn voor zowel de taalvaardigheid als de motivatie van leerlingen. Misschien moeten we ons daarom niet alleen afvragen welke kennis leerlingen aan het einde van een schooljaar moeten beheersen, maar ook welke ervaringen ze tijdens het leren opdoen. Want uiteindelijk willen we niet alleen dat leerlingen kennis hebben van een taal. We willen vooral dat ze die taal kunnen gebruiken én dat ze gemotiveerd blijven om ermee verder te gaan.
Reactie plaatsen
Reacties